Iedereen een eigen disorder?
Heeft iedereen echt een disorder?
Gisteren hoorde ik een begrip dat me inspireerde om verder uit te diepen: Curiosity Deficit Disorder. Dat heb ik zelf niet. Of misschien kun je curiosity abundance óók wel als een disorder beschouwen. Ik wil namelijk altijd het naadje van de kous weten en bevind me graag onder mensen met dezelfde attitude.
De uitspraak Curiosity Deficit Disorder kwam van John Campbell, een gezondheidswetenschapper die infectieziekten bestudeert. Hij veranderde langzaam van medische meeloper in medische scepticus. Hij verwijt veel medici een vorm van Curiosity Deficit Disorder en hoewel dat ludiek bedoeld is, kan ik me daar behoorlijk in vinden. Een echte wetenschapper is nieuwsgierig en laat zich niet de wet voorschrijven door winstgevende industrieën of door consensus die berust op aannames of gemakzucht. Er is een duidelijk verschil tussen een echte gezondheidswetenschapper en een consensusuitvoerder, wat feitelijk niet veel meer is dan een medische ambtenaar die beleid implementeert.
De DSM en de groei van stoornissen
Het begrip bleef hangen. Ik dacht niet zozeer aan infectieziekten, maar koppelde het aan de DSM, die bij iedere nieuwe uitgave weer nieuwe neuropsychiatrische stoornissen toevoegt. In de eerste DSM uit 1952 stonden 106 stoornissen; in de DSM-5 uit 2022 zijn dat er ongeveer 550, inclusief subtypes. Dat is een groei van gemiddeld zo’n zestig stoornissen per editie en ja, dat maakt me sceptisch. De vraag wie van deze expansie profiteren is in mijn ogen een bal voor open doel. Met die groei neemt gelukkig ook de ongeloofwaardigheid toe, evenals de weerstand tegen dit zogenaamd diagnostische handboek. Nog een paar stoornissen erbij en hij ontploft; dat vooruitzicht zie ik eerlijk gezegd wel zitten.
Curiosity en de 8 C’s van IFS
Mijn voorstel is dan ook om bij de volgende editie minimaal Curiosity Deficit Disorder op te nemen. Curiosity betekent nieuwsgierigheid en is een kernkwaliteit binnen de therapeutische methode IFS (Internal Family Systems). Het is een van de zogeheten 8 C’s, kwaliteiten die iedereen bezit zolang ze niet worden geblokkeerd door beschermende innerlijke delen.
Als zo’n kwaliteit verhuld raakt, zouden we dat dan ook een deficit disorder kunnen noemen? Kenners weten dat ik IFS daarmee tekort doe, maar als taalkundig machtsspel hoop ik iets zichtbaar te maken van het absurdisme van het steeds verder uitdijende DSM-denken.
De 8 C’s leveren dan de volgende deficit disorders op: Curiosity Deficit Disorder; Calmness Deficit Disorder; Clarity Deficit Disorder; Compassion Deficit Disorder, die je veel ziet bij politici en multinationals; Confidence Deficit Disorder; Courage Deficit Disorder; Creativity Deficit Disorder; Connectedness Deficit Disorder. De meeste herken ik overigens, in wisselende kracht en hoedanigheid, ook in mezelf.
De P’s en Self-Flow Deficit Disorders
Naast de 8 C’s duiken er in IFS-achtige literatuur ook lijsten op met P-woorden zoals Presence, Perspective, Patience, Persistence en Playfulness. Ze worden soms de P’s van IFS genoemd, maar strikt genomen beschrijven ze eerder hoe het leven eruitziet wanneer Zelf-energie ruimte krijgt en beschermende delen even niet domineren. Als daar iets vastloopt, zouden we kunnen spreken van Self-Flow Deficit Disorders, met als subcategorieën Presence Deficit Disorder; Perspective Deficit Disorder; Patience Deficit Disorder; Persistence Deficit Disorder; Playfulness Deficit Disorder. Hier wordt zichtbaar wat er gebeurt wanneer de ruimte voor het Zelf beperkt raakt.
Mijn eigen deficits
Natuurlijk heb ik zelf de nodige deficits en/of disorders om het nog even zo te noemen. Leesblindheid, DCD en trauma hebben hun sporen nagelaten. Alle acht C’s tegelijk activeren lukt me niet en perfectie streef ik daarin ook niet na. Wat ik zeker heb zijn Spelling Deficit Disorder en Coordination Deficit Disorder; dat hoort bij DCD. Ik ga struikelend en verdwalend door het leven. Wat er ook bij hoort is Timing Deficit Disorder; tijdsblindheid maakt eveneens deel uit van DCD, ook wel dyspraxie genoemd. Organisation Deficit Disorder hoort daar eveneens bij; bij mij is structuur een op zichzelf staande dagtaak.
Bij mijn digebetische man zie ik een duidelijke Digital Insight Deficit Disorder, wat bij hem heeft geleid tot Digital Curiosity Deficit Disorder. In hem herken ik daarnaast ook Patience Deficit Disorder. Gelukkig heb ik die minder zodat ik hem kan bijstaan als hij daarin vastloopt terwijl zijn organisatietalent en tijdsmanagement mijn manco’s weer mooi aanvult.
Trauma, verslaving en de zeldzaamste disorder
Ik geloof persoonlijk niet dat er mensen bestaan zonder trauma of zonder verslaving, al ken ik wel mensen die in de overtuiging leven dat zij dit niet hebben of onder controle hebben. Bij niemand verloopt het leven vlekkeloos en iedereen gebruikt wel iets om pijn, leegte of spanning te dempen. Dat kan alcohol zijn, suiker, controle, pleasen, presteren, zorgen voor anderen, altijd sterk blijven, en nog veel meer. Toch is het passend om ook dit terrein aan een grondig, DSM-waardig onderzoek te onderwerpen. De bedoeling blijft tenslotte de DSM te overspoelen met mogelijke diagnoses. Trauma Deficit Disorder en Addiction Deficit Disorder voegen we dus gewoon toe; zonder deze voldoe je tenslotte niet meer aan de norm en word je per definitie de afwijking.
Voeren we dit denken consequent door en bestaat er toch die ene enkeling zonder disorder, dan komen we uit bij de vraag of we kunnen spreken van Disorder Deficit Disorder. Misschien belanden we dan vanuit een ander meer speritueel perspectief in de categorie verlichting, maar voor spiritualiteit is in de DSM natuurlijk geen ruimte. Ik denk dan aan figuren als de Dalai Lama of Nelson Mandela. Een zeer zeldzaam soort maar zo zijn zij vast niet geboren. Dit zijn mensen die er een praktijk van hebben gemaakt hun trauma’s en ‘disorders’ te doorvoelen, herkennen, erkennen en transformeren. Meditatie, reflectie en oefening brachten Zelf-energie en zelfleiderschap tot ontwikkeling; de 8c’s staan aan het roer.
Wanneer wordt ‘geen disorder’ een probleem
Disorder Deficit Disorder kan ontstaan wanneer Zelf-energie vrij stroomt, bijvoorbeeld in momenten van verlichting. Maar het kan ook voortkomen uit het onvermogen, of de angst, om naar jezelf te kijken en naar alle delen die deel uitmaken van je innerlijke systeem. Een ontkenningsdeel kan dan veel energie opslokken, ten koste van een breder zicht op het Zelf en andere delen. Hieruit zouden we moeiteloos Self-Insight Deficit Disorder of Self-Reflection Deficit Disorder kunnen destilleren voor een volgende DSM. Het mag wat overdreven klinken allemaal, maar ik zit nog lang niet aan de zestig stoornissen die gemiddeld per nieuwe DSM-editie worden toegevoegd; we kunnen dus best nog even doorgaan.
Voorbij het disorderdenken woont de neuroqueer
Stel dat de DSM daadwerkelijk aan geloofwaardigheid verliest, dan ontstaat er een leegte die om invulling vraagt. Want ja dat vraagt ineens een andere houding van medische beleids-uitvoerders. Ze moeten de mens achter de diagnose leren kennen en zelf hun ingelapen 8 c’s herontdekken. Ik ben zelf een groot fan van het neuroqueer denken als vervanging, zoals beschreven door Nick Walker. Dat betekent verschillen tussen mensen erkennen als norm en niet langer wat doorsnee is verheffen tot ideaalbeeld. De DSM is beslist niet neuroqueer in dit opzicht, maar eerder polariserend.
Queeren is een werkwoord dat Walker introduceerde; het betekent het actief bevragen en ontregelen van dominante normen over wat ‘normaal’, ‘gezond’ of ‘functioneel’ zou zijn. Iedereen kan daaraan meedoen door zichzelf en anderen te erkennen in wat ons verschillend én authentiek maakt.
Het woord queer is vooral bekend vanuit de genderemancipatie. Bij genderqueer gaat het om mensen die zelf niet, of niet volledig, binnen cisgender- en heteronormatieve categorieën passen. Cisgender en heteroseksuele mensen kunnen dit denken ondersteunen, maar zijn niet zelf genderqueer.
Neuroqueer werkt anders. Ook als je jezelf als neurotypisch beschouwt, kun je meedoen, zolang je bereid bent neurologische en psychische verschillen niet als afwijking, maar als volwaardige menselijke variatie te erkennen. Want neurologisch verschillen we allemaal van elkaar, ook zogenaamd neurotypische mensen onderling. Verschil is de norm.
Dus laten we een potje queeren met z’n allen, door nog wat ‘disorders’ bij onszelf te erkennen, totdat de DSM door overdaad uit elkaar klapt. En misschien kunnen we daarna disorder en deficit vervangen door differentie, verschil of wat tegenwoordig ook wel exceptioneel wordt genoemd. Neem ADD, waarin zowel deficit als disorder iemand stigmatiseren. Wat dacht je van Attention hyperfocus quality? Of voor ADHD: Energetic physical-driven learner. Sommige mensen noemen zichzelf kortweg exceptioneel en breiden dat uit naar twee-, drie- of meervoudig exceptioneel wanneer dat passend voelt. Wat dat betreft ben ik minstens drievoudig exceptioneel. Laten we nieuwsgierig, creatief en speels blijven zonder te pathologiseren.
Tot slot een vraag: waarin ben jij exceptioneel en hoe kun je dat tijdelijk pathologiseren voor ons doel, namelijk duidelijk maken dat de DSM haar doel allang voorbijgeschoten is en meer mensen ziek verklaart en maakt dan nodig? En welke mogelijke bijzonderheden van jezelf ben je misschien pas net, voorzichtig, aan het onderzoeken? Wat leveren ze je op? Hoe doorsnee ben je, en waarin ben jij exceptioneel?
