De kaaskrokodil
Soms verbeeld je je dat iets voorbij is.
Omdat je het al een tijdje “onder controle” hebt.
En dan, zonder veel aankondiging, is hij er weer. De krokodil.
Die er eigenlijk al die tijd was, maar sliep.
Ik heb het hier over mijn krokodil die eetverslaving heet.
Mijn zwakke plek is zuivel. Vooral kaas. Als ik eraan begin, wil ik meer. Terwijl het in mijn situatie feitelijk zelfbeschadiging is, omdat mijn lichaam er niet tegen kan. Melkproducten geven mij duidelijke ontstekingsreacties: buikpijn, geïrriteerde holtes en oren, minder energie en minder zelfvertrouwen. Ik weet dit. Ik voel dit. En toch kan ik mezelf ineens meerdere keren per dag bij de koelkast terugvinden, terwijl ik dit weten verdring. Nog een plakje. En nog één. Aan het eind van de dag een half pond, terwijl ik me nog “inhoud”.
Ik sla mijn avondeten over; ik heb geen honger meer. Maar de zucht naar kaas blijft onveranderd. Dat is een belangrijk signaal; dit is geen honger, dit is craving.
Na drie dagen melkproducten ben ik lichamelijk duidelijk ontregeld. Dan zeg ik streng tegen mezelf: stop. Maar stoppen met wilskracht alleen werkt niet. Ik moet iets anders doen.
Ik gebruik dan een Brainspotting-protocol van Robbie Abeles, The Crocodile, gericht op craving. De onderliggende aanname is eenvoudig en diep tegelijk: where you look is where you feel. Ik zoek de kijkrichting waar de craving het sterkst is. Bij mij blijkt dat linksboven te zijn. Daar zie ik mezelf: bunkerend, afgesloten van mezelf, van mijn kennis, mijn zelfbewustzijn en van de wereld. De craving overheerst alles.
Daarna zoek ik de spot waar ik me bewust word van de gevolgen. Ik zie een lethargische, ontevreden, te zware versie van mezelf. Vervolgens zoek ik de spot van wie ik ben als ik de krokodil niet over mij laat heersen: energiek, verbonden, met een grote lach. Op die plek blijf ik het langst door aandacht te geven. Ik voel mezelf daar letterlijk meer aanwezig worden.
De cravings verdwijnen niet meteen. Ze zijn die dag nog aanwezig, maar telkens wanneer ze opkomen, ga ik kort terug naar mijn spots. En dan doven ze uit.
Abeles beschrijft verslaving als een krokodil: hij kan maanden of zelfs jaren in winterslaap zijn. Totdat je vermoeid bent, uit je ritme raakt of emotioneel geraakt wordt. Dan slaat hij toe. Dat herken ik volledig – bij mezelf en bij anderen. Verslavingsgevoeligheid verdwijnt niet. Aandacht ervoor wel. En daar zit het risico.
De echte vraag is: waardoor kreeg mijn krokodil weer ruimte?
Ik kocht schapenkaas voor mijn man op de markt en de verkoper liet me proeven. Ik zei geen nee, want ik had die dag eigenlijk te weinig gegeten en het was een heerlijk hapje. Maar eerlijk gezegd was dit slechts de druppel die de emmer deed overlopen. Ik was een maand bij mijn dochter in Melbourne geweest en at daar wat meer boter en room, met het plan om daar na terugkomst weer mee te stoppen. Terug in Nederland kwamen jetlag, een griepje en een gevoelig familie-incident ertussen, waardoor ik het stoppen uitstelde. Bij elkaar was alles precies genoeg ontregeling voor een innerlijk deel dat vindt dat ik “af en toe wel iets extra’s verdien”. Dat baande de weg vrij voor mijn kaaskrokodil.
Gelukkig slaapt mijn krokodil weer omdat mijn autonome zelf meer regie heeft.
Maar ik moet op mijn hoede blijven.
Het is altijd goed om naar jezelf te blijven kijken met nieuwsgierigheid; heb jij ook een krokodil?
Beheerst hij je leven, of ben je je ervan bewust?
Dat is in de verslavingszorg het verschil:
ben je in herstel,
of word je geleefd.
